Je winkelmand (0)

Wat als jouw leven meer is dan alleen het nu? Bouw aan iets groters!

Waarom zou je je tijd investeren in iets dat je eigen leven overstijgt? In deze aflevering ontdek je hoe David in 1 Kronieken 29 de visie deelde van een nalatenschap die verder gaat dan het leven zelf. Het gaat niet om materiële bezittingen, maar om het bouwen van iets wat een eeuwige impact heeft—iets dat de wereld verandert, generaties lang. David’s toewijding aan Gods doel liet Israël zien dat het belangrijker is om je hart te richten op iets dat blijft, zelfs wanneer wij er niet meer zijn. Het bouwen aan Gods koninkrijk gaat verder dan wat we in ons eigen leven kunnen zien. Het is de beslissing om je tijd, middelen en energie te investeren in iets dat de tand des tijds doorstaat. Zet vandaag de eerste stap in het bouwen aan iets groters—voor een nalatenschap die eeuwig blijft.

Downloaden als PDF
  • David gaf vrijwillig, alle leiders gaven vrijwillig en het volk gaf vrijwillig. Ze verheugden zich in hun geven. In het Nieuwe Testament staat dat God een blijmoedige gever liefheeft. Je moet geven zoals je hart je ingeeft. Niet omdat je onder druk wordt gezet, niet omdat het uit je wordt gewrongen. Je doet het omdat je God en de dingen van God liefhebt, want Hij laat je niet alleen, Hij kan niet zonder een blijmoedige, bereidwillige gever. Zo zegt de Amplified Bible het. God heeft een blijmoedige gever lief. Dat is de uitnodiging van David. Wie anders zal zijn hand vullen met een gulle gave? Hallo. Ik wil iets met jullie delen. Het is een voortzetting van dingen die ik eerder heb gedeeld uit 1 Kronieken 29. David en heel Israël zijn bijeengekomen. Alle leiders en alle mensen zijn er. En hij moedigt ze aan en geeft ze aanwijzingen om een huis voor de Heer, een tempel te bouwen. Er staan zoveel mooie dingen in dit hoofdstuk die zo van toepassing zijn op ons leven. Ik besef dat als je begint over geven, zeker in een kerk, voelen sommige mensen zich ongemakkelijk. Ze zeggen: Het gaat altijd over geld. Mensen praten niet altijd over geld, maar het ligt gevoelig bij sommige mensen. Net als wanneer de dokter zegt: Doet het hier pijn? Nee. Hier? Nee. Au, daar doet het pijn. Sommige mensen luisteren naar de preek maar als je over geld begint: au. Misschien moet er bij jou iets worden hersteld. Ik weet het niet. Maar Jezus sprak in Zijn gelijkenissen en lessen heel vaak over geld en hoe je met je financiën omgaat. Want ons hart en onze schatten zijn nu eenmaal verbonden. Jezus zei: Waar uw hart is, daar zal ook uw schat zijn. “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.” Ze zijn onscheidbaar met elkaar verbonden. Dus David moedigt de mensen aan om te geven voor Gods huis. Dat kan je plaatselijke kerk zijn, een missieprogramma, evangelisatiewerk, een gaarkeuken voor de daklozen in je stad die ze het evangelie brengt, enzovoort. Terwijl David de mensen aanmoedigt en bidt tot de Heer, roept hij wezenlijke waarheden op die we in overweging moeten nemen. Allereerst spreekt hij over het doel. Ik wil jullie voorlezen uit 1 Kronieken 29:1. Hij zegt dit over zijn zoon Salomo… Ik lees het hele vers voor : “Verder zei koning David tegen heel de gemeente: God heeft mijn zoon Salomo als enige uitgekozen, nog jong en onervaren. Dit werk daarentegen is groot, want het is geen bouwwerk voor een mens, maar voor God, de Heere.” 

    Het is voor God, de Heer. Het is voor een eeuwig doel. Als we investeren en geven voor het evangelie moeten we het doen met het oog op de eeuwigheid. Daar draait het allemaal om. David zei: Het is niet voor de mens maar voor God. Er zullen eeuwige dingen gebeuren in onze kerken en de evangelisatie. Ja, het is tijdelijk, maar er is een eeuwig aspect. Dan zegt David: “Omdat ik een behagen schep in het huis van mijn God geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen.” 

    Hij zegt: “Omdat ik behagen schep in het huis van God”, dat staat in vers 3, “geef ik daarboven mijn persoonlijke vermogen”

    Waar ons hart is, is ook onze schat. David had z’n zinnen gezet op Gods huis. Hij hield van Gods huis. Hij zei: “Ik sta liever op de drempel van Gods huis dan te wonen in de tenten van de goddeloosheid.” En dat zou ons hart moeten zijn. We zijn hier maar kort, vriend, en we moeten investeren in dingen die eeuwig zijn. Er zijn in het leven veel dingen die legitiem zijn waar je best in mag investeren. Als je van auto’s houdt en je hebt het geld, koop dan een mooie auto, of koop er twee. Dat mag je absoluut doen. Maar het is niet eeuwig, het zal vergaan. Maar er zijn dingen die van nature eeuwig zijn wat hun impact betreft. De uitzending die we jou nu brengen, met alle apparatuur, brengt veel kosten met zich mee, en het is tijdelijk. Maar het heeft een eeuwige impact. En daarin moeten we investeren en David begreep dat. Hij had er z’n zinnen op gezet, want het was voor God, de Heer. En het derde was de uitnodiging. We lezen verder, en ik heb het hier de vorige keer over gehad. David zei: Wie zal zijn hand vullen met gulle gaven voor de Heer? “Wie is gewillig zijn gave te schenken?” En dat is een mooi aspect van dit verhaal, het was vrijwillig. Het was niet verplicht. David gaf vrijwillig, alle leiders gaven vrijwillig en de mensen gaven vrijwillig. En ze waren verblijd over hun geven. In het Nieuwe Testament staat dat God een blijmoedige gever liefheeft. Je moet geven zoals je hart je ingeeft, niet omdat je onder druk wordt gezet of het uit je wordt gewrongen. Je doet het omdat je God en de dingen van God liefhebt. Hij laat je niet alleen, Hij kan niet zonder een blijmoedige, bereidwillige gever, zoals de Amplified Bible het zegt. God heeft een blijmoedige gever lief. Dat is de uitnodiging van David. Wie anders zal zijn hand vullen met een gulle gave? En het laatste aspect hiervan, en daar wilde ik het nu over hebben, is het gebed. David heeft de mensen onderwezen maar hij besteedt het leeuwendeel van z’n adem en energie aan het praten met God. En daarbij, in zijn gebed, deelt David eeuwige waarheden die golden voor Gods mensen toen, die gelden voor Gods mensen in elke generatie en die gelden voor ons als Gods kinderen nu. En in vers 10 tot 19 bidt David. Ik ga dit voorlezen en dan gaan we dieper in op enkele aspecten van dit gebed. Denk aan de context: David is er, alle leiders zijn er, alle mensen zijn er. Ze gaan een tempel voor God bouwen. David zei: Het is niet voor de mens. Het werk is groot in reikwijdte, schoonheid en belang en het is voor de Heer, het is niet voor de mens. David zei: Mijn hart is hierin en ik geef mijn persoonlijke schat, wat voor mij kosten met zich meebrengt. En hij vroeg: Wie wil er nog meer meedoen? En alle leiders gaven vrijwillig, de mensen gaven vrijwillig en David neemt het allemaal aan en gaat ermee naar God. Mijn hemel, dit is zo goed. In vers 10 staat: “Toen loofde David de Heere voor de ogen van heel de gemeente. David zei: Geloofd zij U, Heere, God van onze vader Israël van eeuwigheid tot eeuwigheid. Van U, Heere, is de grootheid, de macht, de luister, de kracht en de majesteit. Want alles wat in de hemel en op de aarde is, is van U.” 

    Sta daar eens bij stil. God, alles in de hemel en op aarde is van U. “Van U is het Koninkrijk, en U hebt Zich verheven tot een Hoofd boven alles. Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht en U heerst over alles. In Uw hand is kracht en macht in Uw hand is het om ieder groot te maken en sterk te maken. Nu dan, o onze God, wij loven U en prijzen Uw luisterrijke Naam. Want wie ben ik…” Dat vroeg David aan God waar iedereen bij was. “Wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven.” Denk daar eens over na. Vers 15: “Wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners, zoals al onze vaderen. Als een schaduw zijn onze dagen op de aarde, en er is geen hoop.” 

    Vers 16: “Heere, onze God, heel deze overvloed die wij gereedgemaakt hebben om voor U een huis te bouwen dat is van Uw hand; het is alles van U.” 

    Ik kijk naar boven, want David sprak tot God waar iedereen bij was. Vers 17: “En ik weet, mijn God, dat U het hart beproeft en dat U behagen schept in wat billijk is. Ik heb met een oprecht hart al deze dingen vrijwillig gegeven en ik heb nu met vreugde gezien dat Uw volk dat hier gevonden wordt het U vrijwillig gegeven heeft. Heere, God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël bewaar voor eeuwig bewaar voor eeuwig deze gezindheid in het hart van Uw volk en richt hun hart tot U.” 

    Ik lees nog één vers voor: “En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart om Uw geboden, getuigenissen en verordeningen in acht te nemen om alles te doen en dit bouwwerk waarvoor ik een voorraad gereedgemaakt heb, te bouwen.” Wat een gebed. Laten we er eens over praten. Er staan zoveel dingen in die meer dan gewichtig zijn. Ze zijn eeuwig. Ze zijn het waard om ze nader te beschouwen. Laat ik eerst teruggaan naar vers 12. David zei: “Rijkdom en eer komen van voor Uw aangezicht, en U heerst over alles. In Uw hand is kracht en macht in Uw hand is het om ieder groot te maken en sterk te maken.” 

    God is de bron van al het goede dat we zijn en al het goede dat we bezitten. Al het goede dat we hebben, komt van God. Daar moeten we beginnen en erkennen dat het van Hem komt. Jezus vertelde een verhaal over een rijke man. Hij had een overvloedige oogst en vulde z’n schuren. En hij zei: Wat moet ik doen? Ik weet het al. Ik breek m’n schuren af en bouw grotere. Daar sla ik m’n oogst op en zeg tegen m’n ziel: Ziel, je hebt veel goederen voor vele jaren. Eet, drink en wees vrolijk. Rust uit, geniet van het leven. Maar die nacht zei God tegen hem: Dwaas, deze nacht zal je ziel worden opgeëist. Je zult vannacht sterven. Van wie zullen dan al deze dingen zijn? Zo is hij die niet rijk is tegenover God of niet aan God denkt. In het verhaal sprak die man over mijn oogst, mijn goederen, mijn schuren, mijn ziel. Mijn, mijn, mijn. Hij zegt steeds ‘ik, ik, ik’. Ik ga dit doen. Ik ga dat doen. Ik, ik, ik. Mijn, mijn, mijn. En hij zegt geen woord over God. Wie gaf hem het verstand waarmee hij kon denken? Wie gaf hem de lucht die hij ademde? Wie liet de regen vallen waardoor z’n gewas kon groeien? Wie maakte de zaden waaruit het gewas ontstond? Wie maakte de aarde waaruit het gewas groeide? Wie gaf hem z’n fysieke kracht en fysieke leven waardoor hij kon werken? Dat deed God. Maar er was totaal geen erkenning voor God. En David begint z’n gebed met deze erkenning: God, alles wat we hebben, komt van U. U bent degene die mensen macht geeft, die mensen kracht geeft. Al het goede dat we hebben, komt van U. Daar moet ons uitgangspunt zijn. Wanneer heb je God voor het laatst bedankt voor je gezondheid? Als je vanmorgen zonder pijn wakker werd had je God al meerdere keren moeten bedanken. Wanneer heb je God voor het laatst bedankt voor een goed verstand? Voor de mogelijkheden die je hebt, voor je gezondheid, voor al het goede. Een dak boven je hoofd, een auto, een fiets, eten op je tafel. Allemachtig, je hebt op z’n minst een mobieltje, een tv of een computer. Je luistert nu naar mij. Daar zou je God voor moeten bedanken. We moeten Gods eigenaarschap erkennen. En in zijn gebed stelde David in vers 14 de vraag: “Wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven.” 

    Maar David vroeg: “Wie ben ik?” Denk daar eens over na. Hij was de koning. Hij was de leider van een groot land. Hij was een militaire held. Hij was een reuzendoder, een profeet, een musicus, een liederenschrijver. Hij staat voor een zee van mensen en ze staan op het punt om z’n zoon Salomo als z’n opvolger te installeren. David is rijk, hij is beroemd, hij wordt vereerd. Maar toch zegt hij: “God, wie ben ik? Wie ben ik, en wat is mijn volk?” Zijn ze niet Gods uitverkorenen, vrijgekocht door de Heer Zijn erfenis, Zijn persoonlijke schat? Een volk dat apart gezet is door God? Maar David zegt: “Wie ben ik, en wat is mijn volk?” David bleef klein in z’n eigen ogen en dat moeten wij ook doen. Toen Saul ontspoorde en een groot monument voor zichzelf bouwde en arrogant werd en het volk onderdrukte kwam de profeet Samuel bij hem en zei: Is het niet zo, dat u, hoewel klein in eigen oog door God hoofd van de stammen van Israël bent gemaakt? Koning Saul bleef niet klein in z’n eigen ogen. We moeten klein blijven in onze eigen ogen. Een grote baas is maar een klein baasje dat ver van huis is. Je familie weet de waarheid. Ik sprak een keer op een conferentie in een ander land en het was een groot evenement. De grootste conferentie die er ooit in dat land was geweest. Er waren duizenden mensen en ik was een van de inleidende sprekers. Dat was best gaaf. Er was een foyer waar de sprekers een kop thee konden krijgen voor het begin van de dienst. Ik kwam binnen en zag een van de andere gastsprekers. Ik wist wie hij was, maar had hem nooit persoonlijk ontmoet. Ik loop naar hem toe en zeg: Hé, hoe gaat het? Ik wil met hem praten en hij kijkt me niet eens aan. Hij negeert me en kijkt me niet eens aan. Ik dacht: oké. Ik liep door en er waren wat mannen die koffie en thee serveerden. Ik zei: Ik zoek iemand die wat aardiger is. Dus ik praatte wat met die mannen, leden van de kerk die serveerden. Een van hen maakte een kop thee, ik maakte grapjes en vermaakte me kostelijk. En gisteren sprak ik met m’n zoon Harrison… Ik heb het voorrecht gehad om te spreken op conferenties over de hele wereld met sommige van de beste sprekers van onze generatie. En met de meeste sprekers op die conferenties die ik heb ontmoet mannen die briljant en gezalfd zijn ben ik niet echt bevriend, met sommige wel. De meeste ken ik alleen en af en toe sturen we elkaar een appje. Maar de mensen op die conferenties die m’n vrienden werden waren meestal de chauffeurs. De man die me ophaalde van het vliegveld. De man die me ophaalde van m’n hotel of de man die me een kop thee gaf. En nog steeds horen ze in verschillende landen bij m’n beste vrienden. De mensen die de auto bestuurden. Dan vroeg ik: Hoe ben je tot Christus gekomen? Dan hoorde ik hun verhaal, ontmoette hun familie en we aten samen en we hielden contact. Dat wilde ik even delen. Terug naar die andere spreker in de foyer die me geen blik waardig keurde. Ik ontmoette die mannen die serveerden en met sommige ben ik nog steeds bevriend. Ongeveer een kwartier later kwam de presentator binnen en zei: Bayless, hoe gaat het? Goed, zei ik. Ik ben blij dat ik hier ben. Hij zegt: Kom, ik wil je voorstellen aan die en die. Dat is de andere spreker die aan de tafel zit. Hij neemt me mee en zegt: Hé die en die, dit is Bayless. Hij springt op en zegt: Ben jij, Bayless? Man, het spijt me van daarnet. Ik dacht niet dat je iemand was. Ik gaf hem een hand en lachte maar. Ik dacht: je hebt gelijk, dat ben ik niet. Maar het is een houding van: oké, draag m’n koffertje en draag m’n Bijbel naar het podium en sla hem voor me open want ik ben zo bijzonder. Ga weg en laat je hart nakijken. We moeten klein blijven in onze eigen ogen. David zei: “Wie ben ik, en wat is mijn volk dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit?” David dacht zelfs aan de bereidheid van hun hart om te geven voor het werk van de bouw van Gods huis. Voor hem was dat een werk van Gods genade. David wilde geen eer aanvaarden voor z’n bereidheid om te geven of de bereidheid van z’n volk om te geven. Zelfs daarvoor gaf hij de eer aan God. In Filippenzen 2:13 staat: “Want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.” 

    Dus God is zelfs aan het werk in ons om ons bereid en in staat te maken om te gehoorzamen. Vriend, we zijn God veel dank verschuldigd. En dan zegt David: Want alle dingen komen van U. Het is een erkenning van eigenaarschap en rentmeesterschap. God is de Eigenaar van alles, wij zijn slechts rentmeesters. Wij bezitten er niets van. Als we aan God geven, als we onze tienden in Gods huis brengen geven we Hem alleen wat al van Hem is. We zijn maar rentmeesters. En we moeten het zo bekijken: God, alles wat ik heb alles wat op m’n bankrekening staat, alles wat in m’n vermogen ligt is van U en U kunt erbij komen. Leg Uw vinger erop, raak het aan, en het is van U, God wat U er ook mee wil doen. David ging verder in vers 15 ik weet niet of jullie het nog weten, maar hij zei: “Wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners, zoals al onze vaderen. Als een schaduw zijn onze dagen op de aarde, en er is geen hoop.” “Wij zijn vreemdelingen voor Uw aangezicht en bijwoners.” Hij getuigde van de vergankelijke aard van dit leven en zei: “Er is geen hoop.” De GNT-vertaling zegt: We kunnen niet aan de dood ontsnappen. Dat betekent het. We zijn hier maar even en we gaan allemaal dood. In de ASV-versie staat: Er is geen bestendigheid. De klassieke Amplified Bible zegt: We hebben geen verwachting om te blijven. In Jakobus staat: Dit aardse bestaan “is een damp die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.” En David bevestigt dat: We zijn maar vreemdelingen en bijwoners. David zei ook in vers 17: God, U beproeft hierin het hart. Wat bedoelde hij daarmee? Hij wil zien of we de waarheden van nederigheid hebben omarmd. Het is het werk van Gods genade waardoor we bereid en in staat zijn om te geven. Hij beproeft ons hart als het gaat om rentmeesterschap en eigenaarschap. Hij beproeft ons hart om te zien of we begrijpen hoe kort en vluchtig ons leven hier op aarde is. Hij beproeft ons hart als het gaat om dingen steunen die eeuwige consequenties zullen hebben, zoals geven aan het werk van Zijn kerk. En David zei: God, stop dit in het hart van Uw volk. Niet alleen nu, maar altijd. Ik wil jullie deze verzen voorlezen, ze zijn zo krachtig. Hij zei: “God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël bewaar voor eeuwig deze gezindheid in het hart van Uw volk en richt hun hart tot U.” David bad voor de mensen die daar waren maar hij bad ook voor Gods mensen van elke generatie. Hij bad ook voor ons, opdat God deze dingen in ons hart zou bewaren. Opdat dit ook onze gezindheid zou zijn. Nadat de mensen hadden gegeven waren ze verblijd en brachten ze offers aan God. Wij moeten verblijd zijn als we aan God mogen geven. Het draait allemaal om het hart. De Heer ziet niet zoals de mens ziet, maar de Heer ziet het hart. Hij weegt de motieven. Hij weet niet alleen wat we doen, maar ook waarom we doen wat we doen. Ik bid dat deze gedachten je hebben geholpen. Ik bid dat je hart eeuwige dingen zal omarmen en dat je nadenkt over de korte duur van het leven. Het is verbazend hoe snel het je besluipt. En dan bedoel ik ouderdom. M’n vader stierf enkele jaren geleden en ik weet het nog goed. En hiermee ga ik afsluiten. M’n vader zei op z’n sterfbed steeds maar weer terwijl ik op z’n bed zat: Het is voor altijd en eeuwig voor altijd en eeuwig, en voor altijd en eeuwig. Dat zei hij steeds maar weer. Ik zei: Wat bedoel je, pa? De eeuwigheid, zei hij. Hij wist dat hij op het punt stond dit aardse leven te verlaten en dat dit aardse leven zo kort en tijdelijk was maar dat de eeuwigheid voor altijd en eeuwig was. Dit leven is maar een voorportaal voor de eeuwigheid en je moet je in dit leven voorbereiden op het volgende. En als je Gods Zoon Jezus Christus niet hebt omarmd als je Heer en Redder doe dat dan vandaag. Ik hou van jullie. Tot ziens. God zegene je.

  • Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vond je de uitzending fijn?

Stuur het dan door of deel het op sociale media om anderen ook te bemoedigen!

Ook interessant voor jou?
artikelen

God heeft je geroepen tot leiderschap – geloof je dat?

uitzending

Daartoe ben je geroepen!

Product

Ontdek Gods kracht voor jou – studiegids

Steun ons werk

Breng hoop naar de huiskamers – vooral in deze speciale tijd!

Vooral in onzekere tijden vinden we het een geweldige kans om mensen hoop te geven door Gods Woord.