Je winkelmand (0)

Het Brood dat je leven verandert – Harrison Conley

Weet je wat écht verzadigt? Niet meer geld, niet meer bezittingen, niet eens een wonder… maar Jezus zelf. In deze krachtige boodschap duikt Harrison Conley in Johannes 6, waar Jezus Zichzelf openbaart als het Brood van het Leven.

Hij voorziet, Hij voedt, Hij draagt — zelfs in jouw storm.
“Wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben.”

Ontdek waarom geestelijke honger alleen gestild wordt in Hem – en hoe je dit Brood van de hemel vandaag kunt ontvangen.

#BroodVanHetLeven #HarrisonConley #GeestelijkeHonger

Downloaden als PDF
  • Hallo daar. Ik wilde je even voorbereiden op de fantastische preek die je zo hoort. Onze zoon Harrison heeft gepreekt over brood uit de hemel. En heel eerlijk gezegd… als ik Harrison hoor preken, is het voor mij zonneklaar… dat Gods hand op hem rust. Hij haalt dingen uit het woord die mijn geest voeden. Ik vertrouw erop dat jij ook gevoed wordt door dit verhaal over brood uit de hemel. In Johannes 6:1: “Hierna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galilea ofwel van Tiberias. En een grote menigte volgde Hem omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken”. 

    Hou je bijbel maar open, want we lezen vrij veel verzen. Maar ik wil een paar dingen belichten. Johannes begint allereerst met ‘hierna’. Waarna dan? Nadat Jezus veel wonderen in vele steden verricht had in veel verschillende regio’s. “Hierna,” schijft hij in vers 2, “volgde een grote menigte Hem”

    ‘Menigte’ duidt in het Grieks op een grote mensenmassa. Een grote menigte. Dat spreekt voor zich… en dat woord volstaat op zich om het tafereel te beschrijven. Maar Johannes voegt nog een bepaling toe: een ‘grote’ menigte. Hij vertelt dat dit de grootste menigte was die Jezus tot dan toe gevolgd was. Hij heeft het over vele, vele duizenden mensen. En die grote menigte volgde Jezus. Omcirkel dat ‘volgde’ maar. In het Grieks staat dat in de infinitief, dus ze volgden en volgden Hem maar. Ze gingen overal met Jezus mee en wendden zich overal met Hem. Naar welke regio Jezus ook ging, zij gingen mee. Waarom? Dat staat in vers 2: “Omdat zij zagen”. Dat woord duidt op toeschouwers bij een toneelstuk of een voorstelling. Het is een theaterterm. Ze zien hoe een tafereel zich ontvouwt. En wat zien ze precies? Dat Jezus wonderen verricht bij de zieken, zien we in vers 2. Dat ‘verrichten’ is interessant. Het is het Griekse ‘poieo’ waar ons woord ‘poëet’ vandaan komt. Er vond dus een creatieve handeling plaats. In de context betekent het dat Jezus niet zomaar wonderen voor ze verricht. Maar er is een creatief aspect, een creatieve flair aan Z’n wonderen. Hij schept ogen en ledematen waar die eerst niet waren. Jezus doet het onmogelijke. De wonderen hebben een creatief aspect. En de mensen keken gebiologeerd toe. En daarom volgden en volgden ze Jezus overal waar Hij naartoe ging. Vers 3: “En Jezus ging de berg op en ging daar zitten met Zijn discipelen. En het Pascha, het feest van de Joden, was nabij”

    Nog een paar belangrijke dingen om op te merken: “Jezus ging de berg op en ging zitten met Zijn discipelen”. Johannes schrijft heel bewust “Jezus ging de berg op”. Dit is een directe verwijzing naar Mozes op de Sinaï, in het Oude Testament. Houd Mozes in je achterhoofd. We komen telkens bij hem terug. Maar Johannes herinnert ons als lezers eraan… dat er goddelijke dingen gebeuren op bergen. Dat bergen belangrijke plekken zijn, waar bovennatuurlijke dingen gebeuren. Hij noteert dat Jezus “de berg op ging en daar ging zitten met Zijn discipelen”. Altijd als een rabbijn ging zitten, werd het tijd om op te letten… want dan onthulde hij iets ultiems over God, de wet of de Thora. Zitten is de houding van een leraar. En dan vermeldt hij dat het Pascha nabij was. Dat zegt hij om diverse redenen. Allereerst verschaft hij context. Het is de tijd vlak voor het Pascha en dat maakt de grote menigte volgelingen van Jezus geloofwaardig. Want ze maken een bedevaart, wellicht vanuit Kapernaüm, naar Jeruzalem. Met Pascha maakten ze een bedevaart vanuit hun eigen woonplaats naar Jeruzalem. Johannes verschaft dus context, maar richt onze aandacht ook weer op Mozes uit het Oude Testament, bij wie het Pascha begonnen was. Houd Mozes dus nog even in gedachten, want hij blijft een prominente rol spelen. Kijk eens naar vers 5: “Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag dat ’n grote menigte naar Hem toe kwam zei Hij tegen Z’n discipel Filippus: “Waar zullen wij broden kopen, opdat deze mensen kunnen eten?“. 

    Dit zei Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist Zelf wat Hij zou doen.” “Filippus antwoordde Hem: Voor 200 penningen brood is voor hen niet genoeg zodat ieder van hen maar een beetje zou krijgen”. Ik geef je vanochtend iets in overweging. Hoe vaak heb je God in je eigen leven wonderen zien verrichten? Hoe vaak heb je God wonderen voor anderen zien verrichten… maar heb je op moeilijke momenten niet in vertrouwen gereageerd maar zoals deze discipelen, met paniek en angst? Ik zou je graag vertellen dat ik als ‘man van God’ nooit in angst schiet. Maar gênant genoeg merk ik vaak dat ik zelf hetzelfde doe vooral als het om geld gaat. En ik weet niet eens waarom ik in angst schiet. Ik kan geen moment aanwijzen dat ik door een herinnering in angst schiet. Maar elke keer als het over financiën gaat… voel ik de angst en consternatie opborrelen in m’n ziel. Ik kan ook geen traumatisch moment aanwijzen, maar het gebeurt gewoon. En als ik eraan terugdenk, is het omgekeerde het geval: God heeft altijd trouw voor mij, m’n familie en de gemeente gezorgd. En toch schiet ik vaak in paniek als het over financiën gaat. Maar als ik er rustig op terugkijk, besef ik dat Psalm 37:25 klopt : Het is heel bekend, en iedereen heeft het meegemaakt. Het gaat zo: “Ik ben jong geweest, ik ben ook oud geworden.” Bijna 40. “Maar ik heb de rechtvaardige nooit verlaten gezien of zijn nageslacht op zoek naar brood”. God voorziet dus altijd in onze behoeften. Hij zorgt altijd voor m’n familie en gemeente. Maar als het om geld gaat, schiet ik in angst, en niet in vertrouwen. En ik weet dat dat komt omdat ik het me niet goed herinner. En God zij gedankt voor m’n vrouw. Ik ben ver boven m’n stand getrouwd. In Australië zeggen ze: Ik boks in een hogere gewichtsklasse. Ze gaat hier zo goed mee om. Als ik in de stress schiet, zegt ze: Bedenk hoe goed God voor ons is en dat Hij de vorige keer leverde en iets bovennatuurlijks deed. Had ik maar tijd om alles op te noemen wat God voor ons gedaan heeft. Dan ga ik die momenten telkens herhalen in m’n gedachten en telkens herhalen op m’n lippen, en God danken voor Zijn trouw. En als ik denk aan Gods goedheid en scheppende kracht in m’n leven voel ik hoe Zijn vrede over me komt en begint m’n angst te verdwijnen. Even terug naar de tekst. Vers 8 : “Een van Zijn discipelen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tegen Hem: Hier is een jongetje dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft. Maar wat betekenen die voor zovelen?”. “En Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. En er was veel gras op die plaats. Dus gingen de mannen zitten, ongeveer vijfduizend in getal”

    Dus de discipelen vragen niet wat Jezus wil doen, maar gaan op jacht naar eten. Ze willen ervoor zorgen, en gaan op zoek. En ze vinden een jongetje. Het Griekse woord duidt op iemand van onder de zeven jaar. Een kleintje dus. En kinderen spelen een grote rol in Gods koninkrijk. Ze vinden een jongetje. Een jongeman met vijf mini-muffins of gerstcrackers en twee sardientjes als beleg op de crackers. Ik noem het een Hebreeuws Happy Meal. Een van de discipelen ziet de crackers en de vis, en wilt ze aan Jezus geven. Maar de aantallen kloppen niet, en hij zegt: Heer, dit hebben we. Maar wat hebben we daaraan als er zoveel mensen zijn? Om hoeveel gaat het? Dat staat in vers 10. Ongeveer 5000 mannen. Vroeger telden ze alleen de mannen, maar met vrouwen en kinderen erbij… kom je met gemak aan 12.000 mensen. Als je bedenkt dat het bijna Pascha is en ze op bedevaart zijn samen met hun eega, kinderen, grootouders en huisdieren… kunnen het er wel meer dan 20.000 zijn. Eén geleerde schat het op 40.000. Maar het gaat hierom: Met zo’n grote menigte en het beetje eten dat er is… zien de discipelen gebrek. Maar wat ziet Jezus? Hij ziet gras. De discipelen zien gebrek, maar Jezus ziet gras. In vers 10 vermeldt Johannes dat daar veel gras was en Jezus liet ze gaan zitten. Veel gras. Dat is toch een interessant detail? Ik vroeg me af waarom, en begon een beetje te graven. Als je hetzelfde verhaal in Markus leest… In Markus 6:34-39 lees je dit. Er staan meer details in: Dat Jezus de menigte ziet en medelijden met ze voelt, omdat ze als schapen zonder herder waren. En hij vermeldt dat er veel groen gras was. Dus Jezus liet ze zitten op het groen gras. Interessant. Doet je dat ergens aan denken Psalm 23 misschien “De Heere is mijn Herder, mij ontbreekt niets. Hij doet mij neerliggen, of -zitten, in grazige weiden”

    Dus in het groen gras. Johannes en Markus noemen die details om ons erop te wijzen dat Jezus niet zomaar een Mens is maar de Godmens, de goede Herder, die niet alleen om z’n kudde geeft maar hem ook van eten voorziet. En als we bij de volgende verzen komen, zien we de wonderlijke voorziening van de goede Herder. Kijk maar naar Johannes 6 vers 11: “En Jezus nam de broden, en nadat Hij gedankt had deelde Hij ze uit aan de discipelen, en de discipelen aan hen die daar zaten. Op dezelfde manier werden ook de visjes uitgedeeld, zoveel zij wilden”. “En toen zij verzadigd waren, zei Hij tegen Zijn discipelen: Verzamel de overgebleven stukken, zodat er niets verloren gaat”. “Zij verzamelden ze en vulden twaalf manden met stukken van de vijf gerstebroden die overgebleven waren bij hen die gegeten hadden”.

    Ik wil vanmorgen hierbij stilstaan: Dat je Jezus kunt vertrouwen met datgene wat je aan Hem overlaat. Met wat je Hem in handen geeft. Je hoeft niet bang te zijn om dat te doen. Of het nu je talenten, je financiën, je gezin… je leven, je werk of je dromen voor later zijn. Paulus schreef in 2 Timotheüs 1:12: “Ik weet Wie ik geloofd heb, en ik ben ervan overtuigd dat Hij bij machte is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren”.

    Dan komen we bij vers 14, dat dient als een overgangetje… naar het volgende verhaal en wonder. Maar het kondigt ook de kern aan van wat Jezus ons zo zal onderwijzen. Johannes 6, vers 14 luidt: “Toen de mensen dan het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden, zeiden zij: Híj is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou”. “Toen ze het teken dat Jezus gedaan had, gezien hadden”. 

    Welk teken dan? Dat Jezus de menigte daar in de woestenij door een wonder gevoed had met brood. Wat onze 21e-eeuwse ogen ontgaat, was zonneklaar voor de 1e-eeuwers: Johannes vestigt onze aandacht bewust weer op Mozes. In Deuteronomium 18:15 profeteert Mozes “dat de Heere, uw God, uit uw midden een profeet zoals ik zal doen opstaan. Naar Hem moet u luisteren”

    Dus als de nieuwe Profeet zo was als Mozes, was het logisch voor hen dat Hij ze door een wonder zou voeden, zoals Mozes het volk Israël gevoed had. Houd die vergelijking in gedachten. Straks ga ik daar dieper op in. Maar nu ze tot barstens toe gevoed zijn en het wonder met Mozes’ profetie in verband wordt gebracht… gaat de menigte overduidelijk uit z’n dak. In vers 15 staat zelfs dat ze Jezus met geweld Koning wilden maken. Maar niet het soort Koning dat Jezus zou worden. Hij kwam voor een geestelijk koninkrijk, maar zij wilden Hem fysiek Koning maken. Ze wilden Hem Koning maken omdat Hij hun buik vulde en ze spullen kon geven. En zolang Jezus ze gaf wat ze wilden, waren ze dol op Hem. En vergis je niet: Hij is een gevende God en zegent Z’n volk graag. Efeze 3:20: “Hem nu, Die bij machte is te doen ver boven alles wat wij bidden of denken”

    Maar luister: Je moet Hem eerst liefhebben en gehoorzamen om Wie Hij is, en niet om wat Hij voor ons doet. We aanbidden en volgen Hem omdat Hij Schepper, Heer en God is. En dat komt eerst. Omdat Jezus weet dat de menigte Hem wilt dwingen om Koning te worden… stuurt Hij ze weg en trekt Hij Zich terug in de bergen. Ik zal nu niet alle verzen lezen, maar het samenvatten. Lees deze week alle verzen maar in detail. Maar in vers 16-21 ontvouwt zich van alles. Er staat dat het avond wordt en de discipelen naar de zee gaan en die in een bootje oversteken. Ze gaan naar Kapernaüm, aan de overkant van de zee van Galilea. Intussen gaat Jezus weer de berg op om te bidden. Wat een interessant beeld. In vers 18 en 19 steekt er een storm op, wat Johannes specifiek beschrijft: “Er waaide een harde wind,” staat er. Een flinke storm, dus. Wij schrikken van een flinke storm, maar de discipelen waren visser van beroep en leefden aan en op het water. Ze vreesden dus niet meteen voor hun leven. Verderop blijkt ook het omgekeerde: ze zijn niet bang, eerder gefrustreerd. In vers 19 hebben ze wel 5 of 6 kilometer geroeid. In de versies van Markus en Mattheüs lees je dat het 11 kilometer varen naar de overkant was. Het had maar twee uur moeten duren, maar het is al midden in de nacht. Ze hebben dik zes uur geroeid en zijn nog maar halverwege. Heb je dat ooit meegemaakt? Misschien roep jij in jouw storm ook wel om hulp. Heer, laat de storm gaan liggen. U hebt het eerder gedaan. Ik heb gezien dat U het voor die-en-die deed. Doet U het nu net zo voor mij? Maar bij jou is het niet gebeurd, en je denkt: Ik zit hier maar te stressen. God, doe het toch opnieuw. Zou het kunnen… Want God doet zelden twee keer hetzelfde op dezelfde manier … dat Hij eigenlijk iets nieuws en iets anders bij jou wil doen? Ik weet niet hoe het bij jou zit, maar dit weet ik wel zeker: Onze God is niet voor één gat te vangen. Misschien wilt Hij in die storm liever openbaren Wie Hij is en niet als een geest uit de fles doen wat wij willen als we het zeggen. Misschien wilt Hij allerlei aspecten en kenmerken van Z’n natuur openbaren die we zonder die storm niet zouden zien. Misschien wilt Hij openbaren dat Hij ons niet alleen zal redden maar ons ook door de storm heen helpt. Dat Hij ons niet alleen redt, maar ons ook van alles voorziet. Dus misschien voel je je wel net de discipelen en maak je een tijd van frustratie en uitputting door. Maar je kunt moed vatten en blijmoedig worden… want Koning Jezus ziet je, bidt voor je en is bij je door Zijn Heilige Geest. Hij heeft alle macht over demonen, en terwijl je Hem gehoorzaamt… openbaart Hij nieuwe, heerlijke aspecten van Z’n natuur. Hij verlost, Hij steunt, Hij redt en Hij voorziet. Dan komen we bij het hart van het hoofdstuk, deel 3. De verzen 22-59. En alles wat Johannes tot hier schrijft, bereidt ons hierop voor. We zien dezelfde menigte, die een dag eerder door Jezus gevoed was. Ze zijn opnieuw op zoek naar Jezus, maar met de verkeerde bedoelingen. Ze waren goed gevoed, en nu zoeken ze in Kapernaüm meer van hetzelfde. Ze verwachten dat Jezus gratis maaltijden uitdeelt. In vers 26 gaat Jezus hun motieven blootleggen. Daar zegt Hij tegen de menigte: “U zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt maar omdat u van de broden gegeten hebt en verzadigd bent”. Jullie komen bij Me omdat je nog een gratis maaltijd wilt. Jullie komen bij Me, niet voor wat Ik je geestelijk kan geven maar voor de voordelen van wat Ik je fysiek kan geven. Jezus onderwijst hen én ons dat er een grotere honger gestild moet worden. En Hij bedoelt geen fysieke honger, maar geestelijke honger, in je hart. Dit is een honger die ieder mens gestild wilt zien. En Jezus zegt: Deze honger die je voelt… kan alleen gestild worden in een relatie met Mij. Hij zegt: Je bent op de goede plek, maar je zoekt het verkeerde. Het gaat niet om het vullen van je buik, maar van je ziel. En Ik ben de Enige Die de honger en het gebrek in je ziel kan stillen. Kijk wat Hij zegt in vers 27. Ik ben bijna klaar, hoor. Heus, we gaan zo afsluiten. Maar eerst vers 27. Jezus benadrukt dit opnieuw: “Werk niet om het voedsel dat vergaat maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven en dat de Zoon des mensen u geven zal. Want Hem heeft God de Vader verzegeld”. Je moet dus het onderscheid zien dat Jezus maakt tussen materiële en geestelijke dingen. Maar de menigte ziet het niet. Zij snappen het niet. En jullie, snappen jullie het wel? Kijk eens naar hun reactie in vers 30: “Welk teken, welk nieuw wonder doet U dan opdat wij het zien en U geloven? Wat voor werk verricht U?” 

    Jezus, Je moet presteren. En dan beginnen ze over Mozes en het verhaal uit Exodus… en begrijpen we ineens waarom Johannes hier in deel 1 en 2 aldoor op zinspeelde. Hij vertelt dat Mozes een symbool en een schaduw was van Jezus, Die zou komen. Het verhaal, het leven van Mozes: Slechts een voorloper van Jezus. Let op, vers 31: “Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn…” 

    Daar heb je het verband. “Ze hebben het manna gegeten, zoals geschreven is. Hij, Mozes, gaf hun het brood uit de hemel te eten”. En Jezus’ reactie is prachtig. Eigenlijk zegt Hij: Ik snap jullie wel. Dus jullie houden van Mozes. Jullie komen bij Me omdat je denkt dat Ik net zo ben als hij. Omdat hij jullie vaderen brood gaf in de woestijn en Ik jullie ook, gisteren. Dus daarom zijn jullie hier. En Jezus maakt zo een einde aan al hun misvattingen: Nee, Ik ben niet zoals Mozes. Mozes is hooguit zoals Ik. Mozes was maar een voorbode van Mij. En als je blij was met het manna, wacht maar af. Want in vers 35 zegt Jezus: “Ik ben het Brood des levens. Wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben”

    En in vers 47 doet Jezus er nog een schepje bovenop: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, heeft eeuwig leven”. Vers 48: “Want Ik ben het Brood des levens”

    En Hij zegt: Dit is wat Mij onderscheidt van Mozes. Vers 49: “Uw vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en ja, zij zijn gestorven”

    Maar Ik kom jullie iets heel anders geven, namelijk eeuwig brood, dat je leven geeft. “Dit is ’t brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet en niet sterft”. Vers 51: “Ik ben dat levende brood”. “Ik ben dat levende brood, dat uit de hemel neergedaald is”. “Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. En het brood dat Ik geven zal, is Mijn vlees dat Ik geven zal voor het leven van de wereld”.

    Dus Jezus verklaart dit in een paar verzen tot drie keer toe: “Ik ben het Brood des levens”. De eerste van zeven keer dat Jezus in Johannes iets verklaart met ‘Ik ben’. Maar daarmee komt Jezus tot de kern. Dit zei Hij toen tegen de menigte, en zegt Hij vanmorgen tegen ons. Ten eerste zegt Hij: Jongens, Ik ben God, hè. Ik ben God. En net zoals de menigte die die woorden aanhoorde… moeten jij en ik vandaag ook kiezen. Aanvaard ik dat, of verwerp ik dat? Je komt er niet onderuit: Jezus is Wie Hij zegt dat Hij is, of niet. Hij is de Zoon van God, of een bedrieger. Hij is de Verlosser, één met God, of een ongelofelijke leugenaar. Er zit niets tussenin. Hij zei: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij”. Hij zei: “Vóór Abraham geboren was, ben Ik”. Of Hij is Wie Hij beweert te zijn, of niet: je moet één kant kiezen. Als Hij inderdaad de Zoon van God is, moet je Hem toelaten in je hart. Er is geen andere Heer en Verlosser. Alleen Jezus Christus is Hij. Nog een laatste gedachte. Hij zei: “Vóór Abraham geboren was, ben Ik”. Hij zei tegen Mozes in de braamstruik: ‘Ben Ik’. Niet ‘was Ik’ of ‘word Ik’, maar ‘ben Ik’. En Hij is nu. ‘Ik ben’ er voor jou.

  • Geef een reactie

    Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vond je de uitzending fijn?

Stuur het dan door of deel het op sociale media om anderen ook te bemoedigen!

Ook interessant voor jou?
artikelen

Bewaar de juiste houding van je hart

uitzending

Ga moedig verder in geloof

Product

Set “Geloof” – 2 dvd’s + boekje

korte video

Pasen 2025: Wat betekent de opstanding vandaag voor jou

Steun ons werk

Breng hoop naar de huiskamers – vooral in deze speciale tijd!

Vooral in onzekere tijden vinden we het een geweldige kans om mensen hoop te geven door Gods Woord.